| |
UITGIFTE VAN TELECOMMUNICATIEVERGUNNINGEN IN DE NEDERLANDSE ANTILLEN:
Het verleden en de toekomst
I. Het verleden
1.
In 1876 vond Graham Bell de spraaktelefoon uit. Enkele jaren nadat
de eerste telefoonondernemingen in de wereld in vrije marktwerking door
particulieren werden opgezet, ging de wetgever over tot regulering van
de aanleg en het in werking brengen van telefonen. Zo bepaalde de Telegraaf-
en telefoonverordening 1909 (PB 1909, no. 52) in artikel 2, dat een door
de Gouverneur verleende concessie wordt vereist voor de aanleg en het
in werking brengen van telefonen, voor zover zulks geschiedt door anderen
dan het bestuur van de kolonie Curaçao. In 1931 (PB 1931, no. 83)
wordt hieraan toegevoegd "dat de concessie met of zonder uitsluiting
kan worden verleend, doch voor niet langer dan 40 jaren". Hieruit
kan worden afgeleid dat het noch in 1909, noch daarna de bedoeling van
de wetgever was om zonder meer een monopolie te vestigen voor één
telefoononderneming. In 1909 voorzag de wet immers niet in exclusiviteit,
en vanaf 1931 gold weliswaar dat een concessie met uitsluiting van anderen
kon worden verleend, doch dit moet vanzelfsprekend hebben gezien op een
particulier telefoonbedrijf. Immers, het bestuur van het betrokken eilandgebied
was niet concessieplichtig.
2.
In de per 1 januari 1996 in werking getreden Landsverordening op
de telecommunicatievoorzieningen (PB 1995, no. 196; "Ltv.")
werd de concessieplicht gehandhaafd, zij het dat deze nu gold voor de
aanleg, instandhouding en de exploitatie van telecommunicatie-infrastructuur
door een ander dan het Land of een eilandgebied. Hoewel ook de tekst van
de Ltv. op zich niet uitsloot dat er meer dan één concessiehouder
per eilandgebied zou zijn, heeft de wetgever wel in de landsbesluiten
waarbij de concessies aan de eilandelijke telefoonbedrijven, en het internationale
telefoonbedrijf voor de Nederlandse Antillen, werden verleend, een alleenrecht
tot 1 januari 2001 voor het verzorgingsgebied toegekend. Hoewel de daaraan
ten grondslag gelegen financiële (inkomsten voor de overheidskas)
en sociale (werkgelegenheid) motieven zonder meer respectabel kunnen worden
genoemd, was deze opzet vanaf den beginne gedoemd te mislukken. Immers,
ook voor de burgers van de Nederlandse Antillen gold reeds sedert 1955
het verdragsrechtelijk grondrecht van vrijheid van meningsuiting (art.
10 EVRM). En hoewel de wetgever er, met de door haar verkozen (tijdelijke)
exclusiviteit, voor ijverde dit grondrecht buiten spel te zetten, liet
dit grondrecht zich niet omver lopen. Hierbij is het van belang te realiseren,
dat, anders dan vaak gedacht wordt, artikel 10 EVRM niet alleen gaat over
de vrijheid van verzending en ontvangst van informatie, maar evenzeer
ziet op de middelen die voor die verspreiding en ontvangst nodig zijn.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verklaarde dit in 1990 als
volgt:
"Article 10 applies not only to the content of information, but
also to the means of transmission or reception, since any restriction
impossed on the means necessarily interferes with the right to receive
and impart information".
EHRM, 22 mei 1990, Autronic-arrest
3.
Ondanks artikel 10 EVRM, de genoemde en andere jurisprudentie, was het
tot 1998 een bestendige beleidlijn van de overheid om elke vergunningsaanvraag
voor telecommunicatievoorzieningen óf (geruime tijd) niet te beantwoorden,
óf te weigeren. Daarbij was het enige argument de aan de overheidsbedrijven
verleende exclusiviteit.
Uitzondering hierop waren, zoals wel vaker, de Bovenwindse Eilanden St.
Maarten en Saba, alwaar een groot deel van de telecommunicatievoorzieningen
in de jaren '90 door particuliere bedrijven was aangelegd en werd geëxploiteerd.
4.
In het regeerprogramma 1998-2002 wordt door de Regering kenbaar gemaakt
dat de Nederlandse Antillen zich goed dienen voor te bereiden op de liberalisering
van de telecommunicatiemarkt en dat een van de consequenties van die liberalisering
is, dat de exclusiviteit van het landelijk en de lokale telecommunicatiebedrijven
in gedrang komt. De Regering besluit met de opmerking dat "in overweging
wordt genomen of de exclusiviteit genoemd in de concessie verlengd wordt
of niet". Kennelijk was de Regering er in 1998 nog niet over uit
of er wel noodzaak bestond de exclusiviteit te doorbreken. De rechter
was dat wel. Bij vonnis van 20 juli 1998 (Polycom-vonnis) beveelt het
GEA Curaçao het Land aan de naamloze vennootschap Polycom N.V.
een vergunning te verlenen voor het aanleggen en instandhouden van telecommunicatievoorzieningen
voor de mobiele telefonie. Belangrijkste basis voor deze beslissing is
art. 10 EVRM. Wij zien hiermee dat, waar de overheid nalaat tijdig rekening
te houden met verdragsrechtelijk geldende verplichtingen, de rechter de
overheid daartoe dwingt. Hoewel tegen het daarmee bereikte resultaat op
het eerste gezicht formeel weinig valt in te brengen, creëert deze
gang van zaken wel een aantal juridische dilemma's. Ik noem de volgende:
- aannemende dat Polycom terecht op grond van artikel 10 EVRM de mogelijkheid
werd geboden over te gaan tot de aanleg van telecommunicatie-infrastructuur,
dan zou dit in principe ook moeten gelden voor elke andere (rechts)persoon
die daartoe wenst over te gaan. Niet valt immers direct in te zien waarom
Polycom dit recht wel heeft, doch een andere particulier niet. Echter,
dat een ieder die daarom vraagt een dergelijk recht van de rechter krijgt
toegekend is, al was het maar wegens de schaarste van beschikbare frequenties,
een onmogelijkheid. Dit creëert het dilemma van de keuze tussen
potentiële aanbieders. Een keuze die de rechter niet goed, met
afweging van alle betrokken belangen, kan maken. Zo weet een rechter,
bijvoorbeeld, niet wie allemaal geïnteresseerd is in een vergunning,
en zeker ook niet wie dat als eerste kenbaar maakte. De rechter past
dan ook noodgedwongen het "first sue, first serve" principe
toe, iets waarvan het de vraag is of onze maatschappij daarop staat
te wachten. De gevolgen hiervan laten zich aan de hand van de situatie
op Aruba duidelijk maken. De aanvrager die als eerste (met succes) een
vergunning afdwong van de Arubaanse overheid, beschikt daar inmiddels
over zonder dat deze de vergelijkende toets (met financieel bod) heeft
moeten doorlopen. Alle overige aanvragers voor een vergelijkbare vergunning
worden thans wel aan een vergelijkende toets onderworpen;
- door aan een ander binnen een bepaald eilandgebied een concessie te
verlenen, handelt de overheid noodgedwongen in strijd met de aan het
eilandelijke overheidsbedrijf in dat eilandgebied verleende exclusiviteit.
Hiermee verkort de overheid bovendien de aan dat eilandelijk overheidsbedrijf
verleende overgangsperiode, waarin kan worden toegewerkt naar het opereren
in een geliberaliseerde markt. Een van de gevolgen hiervan kan zijn
dat het betreffende overheidsbedrijf gehouden is middelen aan te wenden
voor dure afvloeiingsregelingen voor overbodig geworden personeel, in
plaats van investeringen in noodzakelijk vernieuwingen van de telecommunicatie-infrastructuur.
Dit tast weer de toekomstige concurrentiepositie aan, hetgeen tot schade
voor het overheidsbedrijf lijdt.
Met deze dilemma's in wijsheid omgaan, is geen gemakkelijke opgaaf. De
overheidsbedrijven kregen, blijkens de reeks krantenberichten die in de
jaren 2001 en 2002 verschijnen, in ieder geval de politieke wind van voren.
Of de gemaakte verwijten die bedrijven wel aan te rekenen vielen, is,
gelet op het voorgaande, zeker nog maar de vraag. Hoe is het nu afgelopen
met de andere op een vergunning wachtende partijen?
5.
Kennelijk bevangen door de liberaliseringgedachte worden door de Regering
in de jaren vanaf 1999 een reeks concessies uitgegeven aan particuliere
bedrijven. Onder meer op 15 maart 2000, als door de Regering wordt besloten
tot uitgifte van twee concessies voor het aanleggen van telecommunicatie-infrastructuur
op Curaçao voor de international telefonie, waarmee (ook) de aan
het landelijk telefoonbedrijf verleende exclusiviteit vroegtijdig wordt
doorbroken. Ook hierbij doen zich weer dezelfde juridische problemen voor,
waarbij een daarvan tot een nieuwe juridische procedure leidt. Het bedrijf
Thirdwave International N.V. was van oordeel dat zij, door voornoemde
uitgifte van twee concessies voor de internationale telefonie "het
slachtoffer is geworden van een willekeurige en discriminatoire behandeling,
waar zij, zonder enige reden, gepasseerd is ten voordele van twee andere
maatschappijen, die hun verzoeken nota bene later hadden ingediend dan
zij". De rechter kwam bij (kort geding) vonnis van 20 november 2001
(KG No. 210/01) tot de conclusie dat - mede door de uitgifte van de vergunningen
aan twee andere particuliere bedrijven - de concessie aan Thirdwave niet
kon worden geweigerd. Het Land werd bevolen Thirdwave te behandelen als
ware zij in het bezit van een concessie voor de lange afstand telecommunicatie-infrastructuur.
Daarna volgen nog meer uitgiftes van concessies, en wel aan "de reeks
van wachtenden voor u". Enig beleid van de Regering ligt hier waarschijnlijk
niet (meer) aan ten grondslag. Door geen rekening te houden met art. 10
EVRM en door bovendien te handelen zonder inachtneming van de rechtszekerheid
(bijvoorbeeld het "first come, first serve" principe), was het
handelen van de Regering immers gepredestineerd.
6.
De komende tijd zal er, overigens, nog wel het een en ander gezegd worden
door de rechter over de uitgifte van vergunningen voor de telecommunicatie.
Thans speelt in rechte nog de uitgifte door de overheid van een concessie
voor lange afstand telefonie op St. Maarten aan een aldaar opererend particulier
bedrijf, waarbij een ander particulier bedrijf, tevens concessiehouder
voor mobiele telefonie, werd gepasseerd. Nu deze zaak nog onder de rechter
is, zal ik daar thans niet dieper op ingaan.
II. De toekomst
7.
Na invoering van de, thans nog ontwerp, Landsverordening telecommunicatie
(het "Ontwerp"), zullen er een of meerdere vergunningen nodig
zijn voor de aanleg of aanbieding van een openbaar telecommunicatienetwerk.
Indien het bijvoorbeeld gaat om een netwerk voor mobiele telefonie, dan
zijn onderscheidelijk noodzakelijk een vergunning ex. art. 2.1.1 Ontwerp
(voor de aanleg of aanbieding van het netwerk) en een vergunning voor
het gebruik van frequentieruimte ex. art. 3.2.1 Ontwerp. Het aanbieden
van een dienst over dit netwerk is slechts registratieplichtig en daarbij
te gebruiken nummers worden door de Minister toegekend. Een ieder die
een dienst wenst aan te bieden wordt geregistreerd, mits bepaalde gegevens
worden verstrekt.
8.
Van belang is dat overgangsbepaling 21.1 van het Ontwerp bepaalt dat een
concessie die is verleend krachtens art. 2.1 van de Ltv. automatisch wordt
aangemerkt als een of meer vergunningen verleend krachtens art. 2.1.1
Ontwerp, met dien verstande dat voor zover in het kader van die concessie
frequenties werden toegekend en gebruikt, dat deel van de concessie wordt
aangemerkt als een of meer vergunningen krachtens art. 3.2.1 Ontwerp.
9.
Voorts is van belang dat de MvT bij het Ontwerp vrije toetreding tot uitgangspunt
neemt. Volgens de MvT betekent dit dat de toetreding in beginsel vrij
is en dat het aantal aanbieders van telecommunicatiediensten en - infrastructuur
niet op voorhand beperkt zal worden. Wij kunnen dus vaststellen dat (i)
alle bestaande concessiehouders, houders worden van met hun concessie
vergelijkbare vergunningen en (ii) dat niet op voorhand uitgesloten is
dat er (nog) meer vergunninghouders bijkomen. Zo op het eerste gezicht
lijkt het er dus op dat er een systeem zal komen te gelden van "u
vraagt, u krijgt". Er geldt zoals gezegd evenwel reeds een fysieke
grens, nu het aantal frequenties beschikbaar voor, bijvoorbeeld, mobiele
telefonie, beperkt is. Maar ook of er een juridische noodzakelijkheid
zal bestaan elk verzoek om een vergunning met uitgifte daarvan te beantwoorden,
is nog maar de vraag.
10.
Ten eerste wijs ik erop dat het Ontwerp aangeeft dat de Minister een vergunning
ingevolge art. 2.1.1 en 3.2.1 op aanvraag kan verlenen. Gebruik van het
woord kan geeft aan dat het een discretionaire bevoegd betreft. Het zal
de Minister dus in principe (nog steeds) vrij staan beleid te ontwikkelen
en toe te passen ter zake de uitgifte van telecomvergunningen. Hierbij
is het wel van belang vast te stellen dat de juridische effectiviteit
(hanteerbaarheid) van beleid, staat of valt met de toepassing daarvan
gedurende een zekere periode. Een Minister zal bij de rechter immers weinig
gehoor vinden, indien hij zich als verweer tegen een beroep op willekeur
beroept op een beleid dat gedurende de afgelopen twee jaar vijf keer fundamenteel
gewijzigd is. Niet de wens tot uitgifte van een vergunning in een concreet
geval moet het beleid bepalen; het beleid moet bepalen of een vergunning
in een concreet geval kan worden uitgegeven. Vooral de gedragslijn die
tot op heden door de Regering gevolgd is, lijkt dit onvoldoende te onderkennen.
Verwezen kan ook worden naar de situatie op Aruba, waar de Regering, hoewel
geleerd had kunnen worden van de ontwikkelingen in de Nederlandse Antillen,
tot voor kort aan vergelijkbare dilemma's niet op een structurele wijze
tegemoet kwam. De gevolgen daarvan laten zich in bijvoorbeeld het New
Millennium geval ernstig gevoelen.
11.
Mits de Regering dus duidelijk aangeeft hoeveel, en onder welke voorwaarden,
telecomvergunningen in de toekomst zullen worden toegestaan (bestaand,
nieuw uit te geven, en te verlengen), en zich hier vervolgens ook aan
houdt, meen ik dat er juridisch voldoende ruimte is voor "regulering"
van de markt. Hierbij kan erop worden gewezen dat de strenge toepassing
van de in art. 10 EVRM neergelegde norm zich vooral laat voelen in situaties
waarin sprake is van een (overheids)monopolie. Met name de situatie dat
een burger voor het ontvangen of verspreiden van informatie aangewezen
is op slechts één telecommunicatienetwerk waarvan de toegang
door de (semi)overheid wordt bepaald, zal de toetst van art. 10 EVRM niet
snel doorstaan. Financiële (overheids)motieven zijn daarbij ondergeschikt.
Zoals de Hoge Raad in het arrest van 20 september 2002, RvDW 2002, 138
leert:
"De enkele omstandigheid dat door het optreden van een concurrent
de financiële haalbaarheid van de exploitatie door de houder van
het alleenrecht in het gedrang komt en dat de mogelijkheid bestaat dat
het publiek daarvan uiteindelijk de dupe wordt, vormt onvoldoende grond
om het bestaan van een dringende noodzaak voor de aanvaarding van het
alleenrecht aan te nemen en de weigering van een vergunning aan de concurrent
"justifiable in principle and proportionate" te achten, zoals
ingevolge art. 10 EVRM is vereist om in een geval als het onderhavige
de erkenning van een dergelijk alleenrecht en het op grond daarvan weigeren
van een vergunning aan een concurrent aanvaardbaar te doen zijn".
12.
Zodra de overheid evenwel een (particulier) alternatief toelaat, is minder
snel sprake van schending van art. 10 EVRM. Een voorbeeld daarvan is de
uitspraak van het EHRM van 21 september 2000 (NJ 2001/548), waar het niet
in strijd met art. 10 EVRM werd geacht dat een Oostenrijkse vennootschap
een zendvergunning voor uitzending via zendmasten werd geweigerd - dit
mocht alleen de Oostenrijkse nationale omroep -, zodra er een bruikbaar
alternatief bestond, namelijk uitzending via de kabel.
13.
In het bijzonder waar het dus betreft de aanleg van nieuwe netwerken,
en er voldoende rechtvaardiging bestaat voor de overheid om nieuwe toetreders
van de markt te weren - bijvoorbeeld om vervuiling van de bodem en het
landschap met kabelwerken tegen te gaan - zal de overheid dat mijns inziens
ook met succes kunnen doen. Dit klemt temeer indien de toegang tot de
alternatieve netwerken, die bij het in werking treden van het Ontwerp
reeds voorzien zijn, daadwerkelijk vrije vorm krijgt. Ik doel hier onder
meer op de bijzondere toegang die aanmerkelijke machthouders op redelijk
verzoek moeten verstrekken (artt. 6.9 juncto 6.4. Ontwerp). Mits juist
toegepast, waartoe ik ook reken deugdelijke controle van het uitgangspunt
dat de toegang kostengeorienteerd wordt verstrekt, valt niet goed in te
zien waarom er in het kader van verdragsverplichtingen meer dan twee netwerken
per eilandgebied, waarvan in ieder geval één in particuliere
handen, behoeven te worden toegelaten.
14.
Voorts kan erop worden gewezen dat, waar het betreft uitgifte van
frequentievergunningen, het Ontwerp thans uitdrukkelijk bepaalt dat deze
(uitsluitend) geschiedt door middel van "first come, first serve",
de vergelijkende toets (met of zonder financieel bod), loting na de vergelijkende
toets, een veiling, of een combinatie van vergelijkende toets en veiling.
Dit betekent, kort gezegd, dat de willekeurige wijze van uitgifte van
mobiele vergunningen, zoals deze in het verleden heeft plaatsgevonden,
volgens het Ontwerp uit den boze is. Doch ook hier zal gelden dat als
de overheid zich laat verleiden in strijd te handelen met deze uitgifte
regels, benadeelden met succes te rechter zouden kunnen adieren. Het is
dus zaak dat de overheid zich hier in de toekomst strikt aan zal houden.
Echter, "bezint eer gij begint" is ook hier uitermate van belang.
Artikel 3.2.7 Ontwerp geeft namelijk duidelijk aan dat zodra eenmaal een
keuze gemaakt is voor een van de genoemde methoden van verlening van frequentievergunningen,
er voor elke volgende verlening van een vergunning voor frequentieruimte
in de betreffende bestemming, in beginsel een vergelijkbare procedure
moet worden toegepast, zolang er in die bestemming nog houders van frequentievergunningen
zijn. Dit ligt ook voor de hand: het druist in tegen het rechtsgevoel,
en de beginselen van behoorlijk bestuur (rechtszekerheid en gelijkheidsbeginsel),
dat de overheid een frequentievergunning zou veilen aan de hoogste bieder,
om vervolgens een jaar later vergelijkbare frequentieruimte door middel
van loting na een vergelijkende toets uit te geven. Dit wetend, is het
dus uitermate van belang voor de overheid om zich te bezinnen hoe zij
in de nabije toekomst om wenst te gaan met, onder meer, verdeling van
de schaarse frequentieruimte. Zodra de op het moment van invoering van
het Ontwerp nog geldende vergunningen voor mobiele telefonie ten einde
lopen, kan de overheid immers een keuze maken voor een nieuwe wijze van
uitgifte van de vrijgekomen frequentieruimte, bijvoorbeeld door na een
vergelijkende toetst aan de hoogste bieder te veilen. Verlengt de overheid
evenwel na inwerkingtreding van het Ontwerp de frequentievergunning van
enige netwerk beheerder voor mobiele telefonie zonder meer, dan kan mijns
inziens met recht worden betoogd dat elke andere netwerkbeheerder voor
mobiele telefonie, onder gelijke omstandigheden, daar ook aanspraak op
zal kunnen maken (gelijkheidsbeginsel). Bovendien is alsdan mogelijk sprake
van een verlening volgens het principe "first come, first serve",
en zou dit er aan in de weg kunnen staan dat er alsnog frequentieruimte
voor de mobiele telefonie geveild zou kunnen gaan worden; eenmaal een
bepaalde methode toegepast, dient de overheid daar weer mee voort te gaan.
III. Slot
15.
De uitgifte van telecommunicatievergunningen in de Nederlandse Antillen
is tot op heden (gewild of ongewild) een vertraagde toepassing geweest
van het beginsel "first come, first serve". Het veelvuldig overslaan
van "de wachtenden" vertaalde zich in namelijk in het, zij het
vertraagd, alsnog uitgeven van een vergunning aan die wachtenden. Het
kan niet anders dan dat dit heeft geleid tot een geheel ongeordende uitgifte
van telecomvergunningen, waarbij de rechten van alle direct betrokkenen
werden geschonden. Of dit uiteindelijk de ontwikkeling van de telecommunicatie
in de Nederlandse Antillen ten goede is gekomen, dan wel juist duurzame
ontwikkelingen in de weg heeft gestaan, valt niet eenduidig te beantwoorden.
Wel meen ik te kunnen stellen dat de toekomst, wil de Nederlandse Antillen
zich daarin als rechtstaat profileren, er anders uit zal moeten zien.
Daarin moeten duidelijke keuzes, volgens een van te voren vastgesteld
systeem van uitgifte en verlenging van vergunningen, op de voorgrond staan.
Het Ontwerp geeft daartoe in ieder geval de juiste richting aan. Nu nog
de invoering en toepassing daarvan.
mr Eric R. de Vries,
partner Halley Blaauw & Navarro
27 mei 2003

|